0

Ondertussen zijn de archeologische opgravingen gestart, ook in de moestuin zoals blijkt uit bijgevoegde foto’s.

De Erfgoedconsulent archeologie bevestigde ons nogmaals, wat ook al in het bezwaarschrift werd aangehaald, dat indien er geen destructieve bodemingrepen voorzien zijn het behoud in situ, maw het bewaren in de ondergrond zoals het is, de common practice is bij toepassing van het verdrag van Valetta.*

We zien hier hoe een Universiteit die verondersteld wordt een instelling van wetenschappelijk hoog niveau te zijn, met medeplichtigheid van Erfgoed, deze principes vrolijk aan zijn laars lapt als er andere belangen mee gemoeid zijn. Tot de dag van vandaag is er immers nog altijd geen bouwvergunning afgeleverd en is er dus nog altijd geen noodzaak om ex situ te gaan opgraven.

Bijgevoegde foto’s een didactische illustratie van hoe je met de bulldozer aan archeologie doet op plaatsen waar iedereen die de geschiedenis van de Kartuizerij bestudeerd heeft weet dat er nooit iets gestaan heeft en dat er, op wat scherven na die je overal in Leuven kan aantreffen, niets noemenswaardig zal te vinden zijn (uiteraard op kosten van de opdrachtgever, ttz wij allemaal, zitten onze grote wetenschappers de grond om te woelen voor…. niets).

Of toch voor iets, want volgens de CCC plannen zullen op deze plaats binnen afzienbare tijd een ondergrondse parking en bijbehorende kantoorgebouwen moeten verrijzen en een voorafgaand bodemonderzoek onder het mom van archeologie is toch maar meegenomen. En nu nog de bomen kappen en klaar is kees.

Kan men nog dieper vallen? Afstuderen  in de archeologie om dan als grondwerker te promoveren.  Aan de KULeuven kan het.

P1000621

P1000623P1000675

*Wat betreft richtlijnen rond het al dan niet behouden in situ van archeologisch erfgoed kan ik verwijzen naar het archeologiedecreet (decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium, zie http://www.rwo.be/Default.aspx?tabid=12346). IOn artikel 4 §2 van dit decreet wordt een zorgplicht ingesteld. Dit impliceert dat iedere eigenaar ertoe gehouden is om de archeologische monumenten op zijn terrein te behoeden voor vernieling. Daar zijn twee mogelijkheden toe: ofwel wordt het archeologisch erfgoed bewaard in de ondergrond zoals het is (behoud in situ), ofwel wordt de informatiewaarde ervan behouden door een degelijke archeologische opgraving (behoud ex situ). Uit deze verantwoordelijkheid van de terreineigenaar volgt ook dat deze zelf moet instaan voor de opgraving. Uiteraard moet hij niet zelf opgraven  maar dient hij wel in te staan voor de organisatie en financiering van het onderzoek door gekwalificeerde mensen. Het recent geratificeerde verdrag van Valetta legt de nadruk op het behoud in situ. Met andere woorden: indien archeologisch erfgoed behouden kan blijven in situ, dan geniet dit de voorkeur (bv. door aanpassing van de bouwplannen in functie van het vermijden van destructieve bodemingrepen). Indien dit evenwel niet mogelijk is, dient een behoud ex situ gerealiseerd te worden.

Leave a Reply